poimandres
Start Omhoog

 

                       

POIMANDRES

DOOR HERMES TRISMEGISTUS

 

Toen ik eens mediteerde over het Zijn, steeg mijn geest tot grote hoogte, terwijl mijn lichamelijke zintuigen vrijwel uitgeschakeld werden, zoals bij mensen die door slaap overmand zijn na een overvloedig maal of zware lichamelijke inspanning. In die toestand kwam het mij voor, dat iemand van buitengewone grootte, van niet te bepalen afmeting, mijn naam riep en tot mij zei: 'Wat wil je horen en zien en wat ben je van zins te leren kennen?'

 Ik zei: 'Wie bent u dan?'

'Ik ben', zei hij, 'Poimandres, de Geest van de volstrekte vrijmacht. Ik weet wat je wilt en ik ben overal met je.'

 Ik zei: 'Ik wil het Zijn Ieren kennen, zijn natuur begrijpen en God kennen. Wat wil ik dat graag horen', zei ik.

Hij zei daarop tot mij: 'Onthoud goed wat je wilt vernemen, ik zal het je Ieren.'

 Bij die woorden veranderde hij van gedaante, en terstond werd mij alles in een oogwenk geopenbaard en ik zag een onbegrensd schouwspel: alles was licht geworden, sereen en vriendelijk, en bij die aanblik werd ik van verlangen ernaar vervuld.Kort daarop ontstond in een deel ervan duisternis, die zich neerwaarts bewoog. Zij was beangstigend en somber, met kronkelende windingen, zodat ik aan < een slang > moest denken. Daarop veranderde die duisternis in een vochtige substantie, die onbeschrijflijk woelig was en rook afgaf als een vuur en een onuitsprekelijk klagend geluid voortbracht. Daarop steeg er een ongearticuleerd geloei uit op, zodat ik aan het geluid van vuur moest denken}

 Uit het licht daalde echter een heilig Woord af op de substantie en zuiver vuur sprong uit de vochtige substantie op naar boven; het was licht in gewicht en fel, en actief tegelijk. En daar de lucht (eveneens) licht in gewicht was, volgde deze de (vuur)vlaag: zij steeg vanuit de aarde en het water op tot het vuur, zodat zij daaraan opgehangen scheen. Aarde en water bleven echter in vermengde toestand waar zij waren, zodat < de aarde > niet van het water te onderscheiden was. Maar zij waren in beweging, omdat de bries van het Woord daar hoorbaar overheen ging.

 Poimandres nu zei tot mij: 'Heb je ook begrepen wat dit schouwspel wil zeggen?' En ik zei: 'Dat zal ik nu te weten komen. , 'Dat licht', zei hij, 'ben ik, de Geest, jouw God, die er was vóór de vochtige substantie die uit de duisternis te voorschijn kwam. Het stralende Woord, dat uit de Geest voortkwam, is de Zoon van God.'

'Hoe moet ik me dat dan voorstellen?', zei ik.

Je moet dat zo opvatten: wat in jou ziet en hoort, is (als het ware) het Woord des Heren, maar je geest zelf is (als het ware) God de Vader.6 Zij zijn immers niet van elkaar gescheiden, want hun eenheid is het leven.'

'Dank u " zei ik.

'Welnu dan, richt je geest op het licht en leer het kennen.'

 Bij die woorden keek hij mij geruime tijd strak aan, zodat ik voor zijn aanblik beefde. Toen hij zijn hoofd ophief, zag ik in mijn geest, dat het licht uit talloze Machten bestond en een onbegrensde Kosmos was geworden. Ook zag ik, dat het vuur door een zeer grote Macht omvat werd en, zo in toom gehouden, een vaste plaats gekregen had! Ik verwerkte dit alles in mijn geest, toen ik het dankzij het woord van Poimandres aanschouwde.

 Maar toen ik helemaal in verwarring was, sprak hij opnieuw tot mij: Je hebt in de geest de oervorm gezien, wat voorafgaat aan het onbegrensde begin.' Aldus Poimandres.

'Waaraan danken de elementen der natuur hun bestaan?', vroeg ik. Hij antwoordde daar weer op: ' Aan de wilsdaad van God, die het Woord in haar schoot ontvangen heeft en ziende op de schone < geestelijke > Kosmos deze heeft nagebootst: zij maakte een Kosmos met gebruikmaking van haar eigen elementen en haar eigen kroost, de zielen.

 Daar nu God de Geest androgyn is, en leven en licht, bracht hij (uit zichzelf) door een woord een andere Geest als Maker voort, die als God van vuur en levensadem een zevental Bestuurders maakte, die de waarneembare Kosmos met hun sferen omvatten. Hun bestuur noemt men Beschikking.

 Terstond sprong het Woord van God op uit de lager gelegen elementen naar het zuivere voortbrengsel van de natuur en hij verenigde zich met de vormende Geest, want hij was van hetzelfde wezen. En de lager gelegen elementen van de natuur bleven zonder rede achter, als louter grondstof.

 De vormende Geest, die de sferen omvat en hen zoemend doet ronddraaien, bracht samen met het Woord zijn eigen produkten in beweging en liet ze ronddraaien, vanaf het onbegrensde begin tot het eindeloze einde: die beweging begint immers waar ze ophoudt. Deze omwenteling der sferen bracht, overeenkomstig de wil van de vormende Geest, uit de lager gelegen elementen de redeloze dieren voort (die elementen hadden immers de rede niet meer in zich): de lucht bracht de gevleugelde dieren voort en het water het zwemmend gedierte -aarde en water waren (inmiddels) overeenkomstig de wil van de Geest van elkaar gescheiden -, en <de aarde> bracht uit zichzelf de dieren voort die zij in zich had, viervoeters < en > reptielen, wilde en tamme dieren.

 De Vader van alle dingen, de Geest, die leven en licht is, bracht de Mens voort, die aan hem gelijk was. Hij beminde hem als zijn eigen kind, want de Mens was zeer schoon, daar hij het beeld van zijn Vader droeg. In feite beminde God dus zijn eigen schoonheid. Hij droeg alles wat hij zelf gemaakt had (aan de Mens) over.

 Toen deze nu opmerkte wat de Maker gemaakt had binnen (de kring van) het vuur, wilde hij ook zelf iets maken, en hij kreeg daartoe toestemming van de Vader. Toen de Mens in de sfeer van de Maker gekomen was, waarover hij alle macht zou hebben, merkte hij ook de produkten van zijn broer op. En zij kregen hem lief en ieder liet hem deel hebben aan (het kenmerkende van) zijn eigen rangorde. En toen hij hun wezen leerde kennen en aan hun natuur deel kreeg, wilde hij de omgrenzing der sferen doorbreken en het machtsgebied van hem die over het vuur gesteld is, leren kennen.

 En hij die alle macht had over de wereld van de stervelingen en de redeloze dieren, boog zich voorover door het samenstel der sferen, brak door het hemelgewelf heen en toonde aan de lager gelegen natuur de schone gestalte van God. En toen zij zag, dat' hij onuitsprekelijk schoon was < en > de hele werkingskracht van de Bestuurders en de gestalte van God bezat, glimlachte zij van begeerte, daar zij het spiegelbeeld van de allerschoonste gestalte van de Mens in het water en zijn schaduw op het land zag. Toen hij nu in het water zag, dat zij een gestalte had die met die van hem zelf overeen kwam, werd hij verliefd en wilde op die plaats wonen. Wens en realisering vielen samen, en hij verbleef in de redeloze vorm. De natuur, van haar kant, ontving haar geliefde en omvatte hem geheel en zij verenigden zich, want zij waren minnaars.

 En daarom is de mens als enige ván alle levende wezens op aarde tweevoudig, sterfelijk krachtens zijn lichaam, onsterfelijk krachtens de ware Mens. Want hoewel hij onsterfelijk is en macht over alles heeft, ondergaat hij het lot der stervelingen, omdat hij aan de Beschikking' onderworpen is. Hoewel hij dus boven het samenstel der sferen verheven is, is hij toch een slaaf van dit samenstel geworden. Hoewel hij een androgyn wezen is, omdat hij uit een androgyne vader is voortgekomen, en hij zonder slaap is, omdat hij uit een Slapeloze is voortgekomen, wordt hij toch door < geslachtelijke liefde en slaap > beheerst.'

 En daarna zei ik: < 'Leer mij alles, > o mijn Geest, want ik heb zelf uw leer lief'.  Poimandres zei daarop: 'Dit is het mysterie dat tot op deze dag verborgen was. Toen namelijk de natuur zich met de Mens verenigd had, bracht zij iets voort, dat buitengewoon verbazingwekkend was. Daar hij de aard van het samenstel der zeven sferen bezat, die, zoals ik je zei, uit vuur en levensadem ontsta~n zijn, bleef de natuur niet werkeloos, maar bracht terstond zeven mensen voort, die overeen kwamen met de aard van de zeven Bestuurders, androgyn waren en rechtop gingen.'

Daarop zei ik: '0 Poimandres, nu ben ik toch wel buitengewoon benieuwd geworden en ik wil graag (het vervolg) horen.  Dwaal niet af.

En Poimandres zei: 'Stil toch, want ik heb je het eerste punt nog niet geheel uitgelegd!'

'Goed, ik zwijg al', zei ik.

 Zo ontstonden dus, zoals ik zei, die zeven mensen: < de aarde > was vrouwelijk en het water bevruchtte haar, het vuur bracht de rijping tot stand en uit de ether ontving de natuur de levensadem, en zij bracht de lichamen voort overeenkomstig de gestalte van de Mens. De mens nu werd van leven en licht tot ziel en geest, van leven werd hij ziel en van licht werd hij geest. En in die toestand bleven alle wezens van de waarneembare Kosmos tot het einde van die wereldperiode, dat wil zeggen tot aan het ontstaan van de soorten.

 Hoor nu dan het punt, dat je zo graag wilt vernemen. Toen die periode was afgelopen, werd door de wil van God de band die alles samenbindt losgemaakt. Want alle levende wezens die androgyn waren, werden, samen met de mens, gescheiden en werden deels mannelijk, deels vrouwelijk. En God sprak daarbij een heilig woord: 'Neemt toe in aantal en vermenigvuldigt u in menigte, u allen die gemaakt en vervaardigd bent, en laat hij die geest bezit inzien, dat hijzelf onsterfelijk is en dat de zinnelijke liefde de oorzaak van de dood is, en laat hij al wat is kennen.' '

 Toen hij dat gezegd had, bewerkte de Voorzienigheid door de Beschikking en de stand van de planeten de verenigingen en stelde zij de geboorten in, en alle wezens vermenigvuldigden zich naar hun soorten. En wie zichzelf (als onsterfelijk) leert kennen, komt tot het overstelpend goede, maar wie het lichaam liefheeft, dat uit de dwaling van de zinnelijke liefde ontstaan is, die blijft in de duisternis ronddwalen, daar hij met zijn zinnen aan de werken des doods onderworpen is.'

 'Waarin hebben de onwetenden dan zozeer gefaald', zei ik, 'dat zij van de onsterfelijkheid beroofd moeten worden?'

'Zeg jij daar, je hebt kennelijk niet nagedacht over wat je gehoord hebt! Heb ik je niet gezegd op te letten?'

'Ik let nu op en ik herinner het me weer, en ik ben u er ook zeer erkentelijk voor.'

'Als je opgelet hebt, zeg mij dan: waarom verdienen degenen die in de dood leven de dood?'

'Omdat het individuele lichaam de sombere duisternis als eerste oorzaak heeft. Daaruit is de vochtige substantie ontstaan, waaruit weer het lichaam is samengesteld in de waarneembare Kosmos, die op zijn beurt de dood (als een plant) besproeit.'

Je hebt het goed begrepen, mijn beste, maar waarom "komt wie zichzelf heeft leren

kennen tot hem",zoals het woord van God luidt?'  

Ik zei: 'Omdat de Vader van alle dingen, uit wie de Mens geboren is, uit licht en leven bestaat.'

Je antwoord is juist: licht en leven is God de Vader, uit wie de mens geboren is. Als je dus inziet, dat deze uit licht en leven bestaat, dan zul je tot het leven terugkeren.' Zo sprak Poimandres.

'Maar zeg mij nog hoe ik tot het leven zal terugkeren, o mijn Geest', sprak ik, 'want God zegt: "Laat de mens die geest bezit zichzelf (als onsterfelijk) kennen".

Hebben dan niet alle mensen een geest?'

'Zeg jij daar, pas op je woorden! Ik zelf, de Geest, ben met hen die heilig en goed, rein en barmhartig zijn, met de vromen, en mijn aanwezigheid betekent hulp. En dan kennen zij terstond het Al, en door een liefdevol leven stemmen zij de Vader goedgunstig en zij danken hem met lofprijzingen en hymnen, die hem op de voorgeschreven wijze in liefde worden toegezongen!2 En voordat zij hun lichaam overgeven aan de dood die daaraan eigen is, hebben zij een hevige afkeer van hun zinnen, omdat zij de activiteiten daarvan kennen. Bovendien zal ik, de Geest zelf, niet toestaan dat de impulsen van het lichaam, die hen overvallen, effect sorteren. Als deurwachter zal ik de toegangen voor slechte en schandelijke handelingen afsluiten,  door de gedachten daaraan af te snijden. Maar ik ben verre van hen die onverstandig en slecht zijn, niet deugen, jaloers zijn en hebzuchtig, moordenaars en goddelozen. Bij zo iemand heb ik plaats gemaakt voor de wrekende demon, die hem met zijn vurige pijl treft en hem via de zinnen aanvalt, ja, hij wapent hem veeleer tot het bedrijven van wetteloze daden, opdat hem een grotere straf treft. En zo iemand houdt niet op zijn begeerte te richten op onbegrensde verlangens en onverzadiglijk in het duister zijn slag te slaan. En (de demon) foltert hem en doet bij hem het vuur hoog oplaaien.'

 'U hebt mij alles goed onderricht, zoals ik dat graag wilde, o Geest, maar zeg mij nog hoe de opstijging verloopt.'

Daarop zei Poimandres: 'Allereerst geef je bij de ontbinding van het stoffelijke lichaam het lichaam zelf over aan verandering, en het uiterlijk dat je hebt wordt onzichtbaar, en je persoonlijkheid, die geen uitstraling meer heeft, geef je over aan de demon. En de zintuigen van het lichaam gaan terug naar hun eigen bronnen, gaan daar weer deel van uitmaken en voegen zich weer bij de werkingen daarvan. En de drift en de begeerte keren terug naar de redeloze natuur.

 En zo begeeft zich de mens dan omhoog door het samenstel der sferen: aan de eerste sfeer geeft hij zijn vermogen tot groei en vermindering, aan de tweede het instrument van het slechte, de nu effectloze listigheid, aan de derde het onmachtig geworden bedrog van de begeerte, aan de vierde het uiterlijk vertoon van de heerschappij, nu zonder hebzucht, aan de vijfde de goddeloze overmoed van de onbezonnen doldriestheid, aan de zesde de boze aandriften van de rijkdom, die nu geen invloed meer heeft, en aan de zevende sfeer de leugen die valstrikken spant.

En dan komt de mens, ontdaan van astrale invloeden, in de achtste sfeer, slechts in het bezit van zijn eigenlijke zelf, en samen met de geestelijke wezens bezingt hij de Vader. En alle aanwezigen verheugen zich over zijn aankomst, en als hij dan aan zijn metgezellen gelijk geworden is, hoort hij ook hoe bepaalde Machten boven de achtste sfeer met zoete stem God bezingen.  En dan stijgen zij in rangorde op naar de Vader , geven zichzelf over aan de Machten en, zelf Machten geworden, komen zij in God. Dat is de gelukkige voleinding voor hen die de Gnosis bezitten: God te worden.

Welnu dan, wat talm je? Zou je, nu je de hele leer ontvangen hebt, niet een gids worden voor hen die zulks waardig zijn, zodat door jouw bemiddeling de mensheid door God verlost wordt?'

Toen Poimandres dat gezegd had, mengde hij zich onder de Machten. En ik kwam weer tot mijzelf: onder dankzegging en lofprijzing aan de Vader van alle dingen, door hem gesterkt en onderricht over de natuur van het Al en de hoogste vorm van aanschouwing. En ik begon aan de mensen de schoonheid van de godsvrucht en de Gnosis te verkondigen: '0 mensen, mannen uit de aarde geboren, die uzelf hebt overgegeven aan dronkenschap en slaap, namelijk de onwetendheid aangaande God, wordt nuchter, houdt toch op beneveld te zijn en betoverd door een redeloze slaap!'

Toen zij dat hoorden, kwamen zij allen eensgezind tot mij. Ik zei toen: 'Waarom hebt u zich, o mannen uit de aarde geboren, aan de dood uitgeleverd, terwijl u de macht hebt aan de onsterfelijkheid deel te hebben? Bekeert u, die op reis bent met de dwaling, en de onwetendheid als gezelschap hebt. Gaat weg uit het duistere licht, hebt deel aan de onsterfelijkheid door de vergankelijkheid achter u te laten!'

En sommigen dreven de spot met mij en gingen heen: zij leverden zich uit aan de weg des doods; anderen wierpen zich voor mijn voeten neer en vroegen dringend om onderricht. Maar ik richtte hen op en werd een gids voor het (menselijk) geslacht. Ik onderwees hun de leer, namelijk hoe en op welke manier zij gered konden worden. En ik, zaaide in hen de leer der wijsheid, en zij werden gedrenkt met het goddelijke water.31 Toen het nu laat geworden was en het licht van de zon geheel begon te verdwijnen, beval ik hen God te danken, en toen zij hun dankgebed voltooid hadden, ging ieder naar zijn eigen rustplaats.

Maar ik schreef de weldaad van Poimandres voor mijzelf op en verheugde mij zeer, omdat ik vervuld was van wat ik verlangd had. Want de slaap van het lichaam was waakzaamheid van de ziel geworden en het sluiten van de ogen een waarachtig schouwen. En mijn zwijgen was zwanger van het goede geweest en de openbaring van de leer had voortgebracht wat goed is.33 Dat is mij overkomen, toen ik (dit alles) ontving van mijn Geest, dat wil zeggen Poimandres, het Woord van de volstrekte vrijmacht. Door goddelijke inspiratie van waarheid vervuld, ben ik gekomen (om mijn zending te vervullen). Daarom zing ik met geheel mijn ziel en met al mijn kracht een lofprijzing aan God de Vader:

Heilig is God, de Vader van het Al, Heilig is God, wiens wil door zijn eigen machten volbracht wordt, Heilig is God, die gekend wil worden en door de zijnen gekend wordt. 

Heilig zijt gij, die door het Woord het bestaande hebt samengesteld, Heilig zijt gij, van wie de hele natuur een beeld is geworden, Heilig zijt gij, aan wie de natuur geen vorm kon geven,  Heilig zijt gij, die sterker zijt dan elke kracht, Heilig zijt gij, die groter zijt dan elke hoogheid, Heilig zijt gij, die alle lofprijzingen te boven gaat.

Ontvang de reine geestelijke offeranden van de ziel en het hart die tot u zijn uitgestrekt, Onuitsprekelijke, Onzegbare, die alleen door zwijgen genoemd wordt. Ik smeek u, laat mij niet verstoken raken van de kennis aangaande ons beider zijn; verhoor dit gebed en sterk mij. Dan zal ik met deze genade verlichten degenen die van het (menselijk) geslacht in onwetendheid verkeren, mijn broeders, uw zonen. Daarom ben ik vol vertrouwen en betuig ik: ik ga naar het leven en het licht! Geprezen zijt gij, Vader. Uw mens wil heilig zijn als gij, waartoe gij hem Immers alle macht gegeven hebt.

 

Commentaar  

De Poimandres beschrijft een openbaring van de hoogste God aan een ziener, die over zichzelf in de eerste persoon spreekt, maar nergens zijn naam vermeldt. Blijkens de overgeleverde titel en een opmerking in tractaat XIII, 15 werd deze ziener met Hermes Trismegistus geïdentificeerd.

De goddelijke verschijning noemt zichzelf Poimandres. Deze naam betekent Herder ('Herdersman') of Mensenherder. Dit herinnert aan de openbaringsgestalte, een engel, die zich aan de Romeinse christen Hermes openbaarde met de woorden: 'Ik ben de Herder, aan wie je bent toevertrouwd'. In beide gevallen is de naam van de hemelse verschijning als titel gebruikt voor het boek waarin de inhoud van de openbaring is beschreven. Er zijn verschillende andere overeenkomsten tussen de Poimandres van Hermes en de Pastor van Hermans, die erop wijzen dat beide auteurs van een bestaand literair model gebruik hebben gemaakt. Waarschijnlijk is de Poimandres in de eerste eeuw na Christus geschreven, terwijl de Pastor uit de tweede eeuw dateert.

De tekst kan als volgt worden ingedeeld:

1-3: Inleiding, beschrijving van de psychische toestand van de ziener en van de verschijning van Poimandres;

4-26: de eigenlijke openbaring, bestaande uit:

4- 11: een kosmogonie,

12-24: een anthropologie,

25-26: een eschatologie;

27-29: de ziener wordt profeet en draagt de boodschap van Poimandres uit;

30-31: de ziener realiseert zich wat hem overkomen is en spreekt een dankgebed uit.

Van alle geschriften van het Corpus Hermeticum is de Poimandres het meest intensief bestudeerd. Daarbij is vooral aandacht besteed aan de herkomst van een aantal karakteristieke voorstellingen en de terminologie die daarbij gebezigd wordt. Hoewel op allerlei punten nog verschil van mening bestaat, kan als zeker gelden, dat de auteur van de Poimandres gebruik heeft gemaakt van opvattingen en termen die in de Griekse filosofie, vooral het Platonisme en de Stoa, en in het hellenistische jodendom gangbaar waren. Ook zijn er onmiskenbare parallellen met het christendom, met name met de voorstellingen en het taalgebruik van het Evangelie van Johannes.

Toch is de Poimandres geen filosofische en al evenmin een joodse of christelijke (of anti-joodse of anti-christelijke) verhandeling. Het is een hermetisch geschrift, met een heel eigen boodschap, ontstaan in een milieu waarin Griekse, joodse en Egyptische ideeën in een vruchtbare symbiose leidden tot een nieuwe visie op God, de Kosmos en de mens.

De Poimandres is primair een religieus geschrift, waarin met behulp van mythen de goddelijke, kosmische en menselijke werkelijkheid wordt beschreven, zonder dat het lerend element evenwel geheel ontbreekt. Zoals iedere auteur die zich in beelden uitdrukt en daarbij gebruik maakt van mythische voorstellingen die uit verschillende tradities afkomstig zijn, is ook de schrijver van de Poimandres niet ontkomen aan kleine inconsistenties, die door de literaire analyse van zijn werk vaak als onverenigbare tegenstellingen zijn voorgesteld. Er is echter geen twijfel aan, dat de auteur zijn werk als een eenheid heeft gezien; het bevat dan ook een volstrekt duidelijke boodschap.

De Poimandres leert een tegenstelling tussen geest en stof maar niet in de zin van een absoluut dualisme. De oermaterie was een vochtige substantie, ontstaan uit een duisternis die in het licht, God zelf, haar oorsprong had. Het ontstaan van de Kosmos en de mens geschiedt overeenkomstig de wil van God: de ordening van de elementen valt toe aan het Woord (Logos) van God, de vorming van de planeten aan de tweede Geest (Nous), die uit God zelf was voortgekomen, en de verwekking van de mens aan de hemelse Mens, die eveneens door God was voortgebracht. De Kosmos is dus niet slecht, gaat zelfs terug op de wil van God, maar is zelf niet goddelijk: een grote goddelijke Macht grenst de materiële wereld af van de goddelijke. Alleen de mens heeft aan beide werelden deel en alleen voor hem is de materie een gevaar. Zij kan voor hem geestelijk en moreel een kwaad worden, als hij denkt dat de materiële werkelijkheid de enige is, als hij zich verslingert aan het lichaam, en vergeet dat zijn geest, zijn eigenlijke zelf, uit de wereld van God afkomstig is. Seksualiteit en voortplanting zijn voor redeloze dieren een natuurlijk gegeven en niet slecht. Voor de mens, die geest heeft, dat wil zeggen: deel heeft aan de goddelijke Geest, is de verbinding met het lichaam en de daarmee gegeven voortplantingsdrift de oorzaak van de dood. Dit slaat uiteraard op de lichamelijke dood, maar de oriëntatie op het lichamelijke en de seksualiteit kan ook tot een geestelijke dood leiden: 'Wie het lichaam heeft liefgehad dat uit de dwaling van de zinnelijke liefde ontstaan is, die blijft in de duisternis ronddwalen, daar hij met zijn zinnen aan de werken des doods onderworpen is'. De Poimandres predikt dan ook onthechting aan het stoffelijke als de weg tot verlossing . Wie tot kennis aangaande God en zichzelf komt, is als iemand die nuchter wordt na dronkenschap of wakker wordt uit een diepe slaap. Het geschrift wil de mens opwekken de weg omhoog te gaan, terug naar zijn oorsprong, om zo deel te krijgen aan het leven en het licht, aan God zelf.

 

Bron: Corpus Hermeticum – vertaling en toelichting: R. v.d. Broek en G. Quispel

 
                           

  canandanann  04-03-06

 

18983_posterpreview.jpg (25912 bytes)