|
|
|
ZOVER
IK ZIEN KON Toen
zover ik zien kon geen
vuur brandde, geen
licht gloorde, alsof
licht nog nooit geroepen was, vuur
nog niet uitgevonden, ben
ik gegaan - mijn
ziel in mij een
laaiende strohalm. Ben
ik gegaan de
torentrappen af door
spiegelgangen de
kasteeltuin door de
slotbrug over de
valkuil van de slaap voorbij, waar
ben ik heen gegaan - mijn
ziel in mij een
gloeiende draad een
laaiende strohalm. Johannes
van het Kruis vertaald door Huub Oosterhuis
Jij
die in mij woont Jij
die in mij woont met
de kracht als van een opspuitende bronwel, vol
sprankelend, levengevend water. Ik
heb het - tot mijn schade en schande - klaar
gekregen (wie laat nu het meest vrij?) om
jaar na jaar stenen te verzamelen en
daarmee die bronwel in mij te begraven onder
puin en gruis en eigen drukdoenerij. Ik
moet Jou weet opgraven in mij, opdelven
in mijn diepste diep, het
schilderijtje van mijn wezen, mijn gelaat grondig
laten restaureren van jarenlang vuil. Jij
hebt er Jouw gezicht in uitgetekend, daar
waar Jij verblijf houdt, diep in mij. Wanneer
krijg jij het klaar om
Jouw beeltenis in mijn wezen weer
van blijdschap te laten stralen in
dat verfrissend, opspattend bronwater, daar
diep, heel diep in mij verborgen? Kom,
trek me naar binnen, blijf
kloppen aan de poort want
ook mijn oren zijn doof geworden, blijf
schijnen in de nacht want
de blindheid van mijn ogen is bijna totaal. Kom,
delf op mijn ware gelaat, maak
mij mooi, maak
van mij Jouw liefste mens, ik
kan niet meer zonder Jou, Jij
die woont in mij, opborrelende
Minne-kracht wassend
water dat leven doet. Kom,
leef je uit in mij.
Ruusbroec
Hij
die niets kent... Hij
die niets kent, heeft niets lief. Hij
die niets kan, begrijpt niets. Hij
die niet begrijpt, heeft geen waarden. Maar
hij die begrijpt heeft ook lief, neemt waar, schouwt... Hoe
meer iets gekend wordt, des te groter is de liefde... Een
ieder die zich verbeeldt dat alle vruchten tezelfdertijd tot
rijping komen als de aardbeien, weet niets van druiven. Paracelsus
|
|
canandanann 04-03-06
|