genesis
Start Omhoog

 

                       

1 Sinds het begin is God schepper,– van de hemelen en de aarde.
2 De aarde 
is woestheid en warboel geweest, 
met duisternis op het aanschijn van de oervloed,– 
maar adem van God reeds 
wervelend over het aanschijn van het water.
3 Dan zegt God: kome er licht!– 
en er kómt licht.
4 God ziet het licht aan: ja, het is goed! 
Zo brengt God scheiding aan 
tussen het licht en de duisternis.
5 God roept tot het licht ‘dag’ 
en tot het duister heeft hij geroepen ‘nacht’; 
er komt een avond en er komt een ochtend: één dag. 

6 Dan zegt God: 
kome er een gewelf in het water,– 
kome er scheiding 
tussen water en water!
7 Dan maakt God 
het gewelf 
en brengt hij scheiding aan 
tussen de wateren onder het gewelf 
en de wateren 
boven het gewelf; 
zo komt het tot stand.
8 God roept tot het gewelf ‘hemel’; 
er komt een avond en er komt een ochtend: tweede dag. 

9 Dan zegt God: 
dat de wateren onder de hemel te hoop lopen naar één oord, 
en zichtbaar worde het droge!– 
en zo komt het tot stand.
10 God roept tot het droge ‘aarde’ 
en tot de ophoping van de wateren heeft hij geroepen ‘zeeën’; 
God ziet het aan: ja, het is goed!
11 Dan zegt God: 
laat de aarde groen doen groeien, 
een gewas dat zaad zaait, 
een vruchtdragend geboomte 
dat vruchten maakt naar zijn soort 
met daarin zijn zaad over de aarde!– 
en zo komt het tot stand.
12 En de aarde brengt al wat groen is naar buiten, gewas dat zaad zaait naar zijn soort 
en geboomte dat vruchten maakt met daarin zijn zaad, naar zijn soort; 
God ziet het aan: ja, het is goed!
13 Er komt een avond en er komt een ochtend: derde dag. 

14 Dan zegt God: 
kome er: lichten aan het gewelf van de hemel 
om scheiding aan te brengen 
tussen de dag en de nacht; 
komen moeten die er als tekenen en samenkomsttijden, 
voor dagen en jaren;
15 komen moeten ze als lichten aan het gewelf van de hemel 
om licht te brengen over de aarde!– 
en zo komt het tot stand.
16 God maakt 
de twee grote lichten: 
het grote licht voor het beheer van de dag, 
het kleine licht voor het beheer van de nacht, 
en ook de sterren.
17 God geeft ze aan het gewelf van de hemel 
om licht te brengen over de aarde,
18 om te beheren de dag en de nacht, 
om scheiding aan te brengen 
tussen het licht en de duisternis; 
God ziet het aan: ja, het is goed!
19 Er komt een avond en er komt een ochtend: vierde dag. 

20 Dan zegt God: 
laten de wateren wemelen 
van het gewriemel van bezield leven,– 
en laat er gevogelte vliegen over de aarde, 
over het aanschijn van het gewelf, de hemel!
21 En God schept 
de grote gedrochten,– 
en alle levende ziel die rondkruipt, 
waarvan de wateren zijn gaan wemelen, in hun soorten, 
en elke gevleugelde vogel in zijn soorten; 
God ziet het aan: ja, het is goed!
22 Dan zegent God hen, en zegt: 
draagt vrucht, weest overvloedig, 
vult het water in de zeeën, 
en ook het gevogelte zij overvloedig op aarde!
23 Er komt een avond en er komt een ochtend: vijfde dag. 

24 Dan zegt God: 
brenge de aarde naar buiten: bezield leven in z’n soorten, 
vee, kruipend gedierte en wat in het wild leeft op aarde 
in z’n soorten; 
en zo komt het tot stand.
25 God maakt wat in het wild leeft op aarde in z’n soorten, 
het vee in z’n soorten 
en al wat over de bloedrode grond kruipt in z’n soorten; 
God ziet het aan: ja, het is goed!
26 Dan zegt God: 
laat ons een mens,– een roodbloedige, {In het Hebreeuws is soms een woordspel gaande tussen adam (mens, mensheid), adama (grond, bodem) en dam (bloed); dit woordspel wordt in de vertaling weergegeven door middel van toegevoegde bijvoeglijke naamwoorden als rood, roodbloedig en bloedrood.} maken naar ons beeld en 
als onze gelijkenis,– 
laten zij neerdalen bij de vissen van de zee 
en de vogels van de hemel, 
bij het vee en bij alles op de aarde, 
en bij alle kruipsel dat rondkruipt over de aarde!
27 God schept de mens naar zijn beeld, 
naar het beeld van God heeft hij hem geschapen; 
mannelijk en vrouwelijk heeft hij hen geschapen.
28 Dan zegent hij hen, God, 
en hij zegt tot hen, God: 
draagt vrucht, weest overvloedig, vervult de aarde en bedwingt haar!– 
en daalt neer 
bij de vissen van de zee en de vogels van de hemel, 
bij alle leven dat rondkruipt over de aarde!
29 God zegt: 
zie, geven zal ik u al het zaadzaaiend gewas op het aanschijn van heel de aarde 
en alle geboomte waaraan boomvruchten zaad zaaien,– 
voor jullie zal het er zijn als eten!–
30 en voor al wat in het wild leeft op de aarde en alle vogels van de hemel en al wat er rondkruipt over de aarde 
waarin een levende ziel zit 
zal al het groen van gewas er zijn als eten!– 
en zo komt het tot stand.
31 God beziet het, al wat hij heeft gemaakt 
en zie, het is zéér goed!– 
er komt een avond en er komt een ochtend, de zesde dag. 

1 Voltooid worden de hemelen en de aarde en heel hun heirschaar.
2 God voltooit op de zevende dag 
zijn werk dat hij heeft gedaan; 
hij houdt sabbat op de zevende dag 
van al zijn werk dat hij heeft gedaan.
3 God zegent de zevende dag 
en heiligt die; 
want daarop heeft hij sabbat gehouden van al zijn werk, 
dat God geschapen heeft om te maken. 

4 Dit zijn de geboorten van de hemelen en de aarde toen zij werden geschapen,– 
ten dage 
dat de ENE, God, aarde en hemelen maakte.
5 Alle struikgewas van het veld 
komt nog niet voor op de aarde 
en alle gewas van het veld spruit nog niet uit,– 
want de ENE, God, heeft het nog niet doen regenen over de aarde 
en van een roodbloedige mens is er nog géén 
om de aarde van dienst te zijn.
6 Maar een damp stijgt op van de aarde,– 
en doordrenkt heel het aanschijn van de bloedrode grond.
7 Dan formeert de ENE, God, de roodbloedige mens 
van stof uit de bloedrode grond 
en blaast in zijn neusgaten ademhaling van leven; 
zo wordt de roodbloedige mens tot lijf–en–ziel in leven.
8 Dan plant 
de ENE, God, een hof in Eden,– liefland, in het oosten; 
en zet dáárin 
de roodbloedige mens die hij geformeerd heeft.
9 Ontspruiten doet 
de ENE, God, uit de bloedrode grond 
allerlei geboomte, bekoorlijk om te zien en goed om van te eten,– 
met de boom des levens in het midden van de hof, 
ook de boom 
der kennis van goed en kwaad.
10 Een rivier trekt uit Eden naar buiten 
om de hof te drenken; 
vandaar af splitst hij zich 
en is hij vierkoppig geworden.
11 De naam van de eerste is Pisjon,– 
die is het die loopt rondom 
heel het land van de Chavila,– 
daar waar het goud is;
12 en het goud van dat land is goed; 
daar is de edelhars, en het gesteente beril.
13 De naam van de tweede rivier is Gichon, 
díe is het die loopt rondom 
heel het land van Koesj.
14 De naam van de derde rivier is Chidekel, 
die gaat ten oosten van Asjoer; 
de vierde stroom, dát is de Eufraat.
15 Dan neemt de ENE, God, de roodbloedige mens mee, 
en laat hem rusten in de hof van Eden 
om haar te dienen en haar te bewaken.
16 De ENE, God, stelt een gebod 
over de mens en zegt: 
van alle geboomte in de hof mag je eten en eten;
17 maar van de boom 
der kennis van goed en kwaad, 
daarvan zul je niet eten,– 
want 
ten dage dat je van hem eet zul je de dood sterven!
18 Dan zegt de ENE, God: 
niet goed is het dat de roodbloedige mens hier alléén is:ik maak voor hem een hulp als zijn tegenover!
19 De ENE, God, formeert uit de bloedrode grond 
al wat in het wild leeft op het veld en alle gevogelte van de hemel 
en brengt het tot de roodbloedige mens 
om te zien wat die daartegen zal roepen; 
en al wat hij daartegen roept, de mens tegen een levende ziel, dát is zijn naam.
20 De roodbloedige mens roept namen uit 
voor al het vee en het gevogelte des hemels, 
voor al wat in het wild leeft op het veld; 
maar voor de roodbloedige mens zelf 
heeft hij nog geen hulp gevonden als zijn tegenover.
21 Dan laat de ENE, God, een verdoving vallen 
over de roodbloedige mens zodat die inslaapt; 
hij neemt 
één van zijn beide zijden 
en sluit met vlees de plek daarvan af.
22 De ENE, God, bouwt de zijde die hij heeft weggenomen van de roodbloedige mens uit tot een vrouw; 
hij komt met haar tot de roodbloedige mens.
23 Dan zegt hij, de roodbloedige mens: 
zij is het nu!– 
been uit mijn gebeente 
en vlees uit mijn vlees!– 
tot haar worde geroepen ‘isja‘, – vrouw, 
want uit een iesj, – man is zij genomen!
24 Daarom zal een man 
zijn vader en moeder verlaten; 
hechten moet hij zich aan zijn vrouw, 
worden zullen ze dan tot één vlees.
25 Ze waren, zij tweeën, ongekleed, 
de mens en zijn vrouw; 
en zij schaamden zich niet.
1 Maar de slang is uitgekleder geweest dan al wat in het wild leeft op het veld, 
dat de ENE, God, heeft gemaakt; 
hij zegt tot de vrouw: 
echt waar dat God heeft gezegd 
‘gij zult niet eten 
van al dat geboomte in de hof!’?
2 Dan zegt de vrouw tot de slang: 
van de vrucht van het geboomte in de hof mogen wij eten!–
3 maar van de vrucht van de boom midden in de hof 
heeft God gezegd: 
van hem zult ge niet eten 
en hem niet aanraken,– 
anders zult ge sterven!
4 Dan zegt de slang tot de vrouw: 
sterven?– niks sterven zult ge!–
5 nee, God onderkent 
dat 
op de dag dat ge van hem eet 
uw ogen zullen opengaan; 
wezen zult ge als goden, 
onderkennend goed en kwaad!
6 Dan ziet de vrouw 
dat de boom goed is om van te eten, en dat hij een lust is voor de ogen 
en begeerlijk, de boom, om tot inzicht te komen; 
dan neemt zij van zijn vrucht en eet; ze geeft ook aan haar man bij haar, en hij eet.
7 Dan gaan de ogen van hen tweeën open 
en onderkennen ze 
dat ze naakt zijn, zij; 
ze naaien loof van een vijg aaneen 
en maken zich schorten.
8 Ze horen 
de stem van de ENE, God, omgaan door de hof, in de avondwind van die dag, 
en ze verschuilen zich, de roodbloedige mens en zijn vrouw, 
voor het aanschijn van de ENE, God, 
te midden van de bomen van de hof.
9 Dan roept de ENE, God, tot de roodbloedige mens en zegt tot hem: waar ben je?
10 En hij zegt: 
uw stem heb ik gehoord in de hof,– 
en ik werd bevreesd, omdat ik naakt ben, en verschool mij!
11 En hij zegt: 
wie heeft aan jou gemeld 
dat je naakt bent, jij?– 
heb je van de boom 
waarvan ik je heb geboden om daar niet van te eten, toch gegeten?
12 Dan zegt de roodbloedige mens: 
de vrouw die gij hebt gegeven om met mij te zijn, 
zij gaf mij van de boom en toen at ik.
13 Dan zegt de ENE, God, tot de vrouw: waarom heb je dát gedaan?– 
de vrouw zegt: 
de slang heeft mij verleid en ik at!
14 Dan zegt de ENE, God, tot de slang: omdat je dat gedaan hebt, 
vervloekt jij, onder alle beesten 
en onder al wat in het wild leeft op het veld; 
op je buik zul je voortgaan 
en stof zul je eten, al de dagen van je leven!–
15 en vijandschap zal ik zetten 
tussen jou en de vrouw, 
tussen jouw zaad en haar nazaat; 
hij zal jou voor het hoofd stoten, 
jíj zult hem bijten in de hiel. 
••
16 Tot de vrouw heeft hij gezegd: 
in veelvoud vermeerder ik je pijniging en je zwangerschap, 
met pijn zul je zonen baren; 
op je man richt zich je hartstocht 
en hij zal je overheersen! 
••
17 Tot roodbloedige Adam heeft hij gezegd: 
omdat je gehoor hebt gegeven aan de stem van je vrouw 
en at van de boom, 
waarover ik je had geboden en gezegd: 
‘eet van hem níet!’ 
is nu de bloedrode grond om jouwentwil vervloekt; 
in pijn zul je van haar eten 
al de dagen van je leven;
18 doornen en distels zal ze voor je laten ontspruiten,– 
en eten zul je het gewas van het veld!–
19 met het zweet in je neusgaten zul je je brood eten, 
totdat je terugkeert tot de bloedrode grond, 
want uit haar ben je genomen, 
ja, stof ben jij 
en tot stof keer je terug!
20 De bloedrode mens roept als naam voor zijn vrouw uit ‘Eva’, – levensbron, –
want zij is de moeder geworden van al wie leeft.
21 Dan maakt de ENE, God, voor roodbloedige Adam en voor zijn vrouw mantels van huid en kleedt hen aan. 

22 Dan zegt de ENE, God: 
ziehier, de roodbloedige mens is geworden als één van ons 
en heeft kennis van goed en kwaad; 
welnu, laat hij niet zijn hand uitstrekken 
en ook nog nemen van de boom des levens 
en eten zodat hij leeft voor eeuwig!
23 Zo zendt de ENE, God, hem heen uit de hof van Eden; 
om de bloedrode grond te dienen 
waaruit hij is genomen;
24 hij verdrijft de roodbloedige mens,– 
en doet hem ten oosten van de hof van Eden wonen met de cheroeviem 
en het flakkeren van het wentelende zwaard, 
ter bewaking van 
de weg naar de boom des levens. 

vertaling: Naardense Bijbel

1  In het begin heeft God de hemelen en de aarde gemaakt.
2 De aarde was woest en leeg en de Geest van God zweefde boven de watermassa. Over de watermassa lag een diepe duisternis.
3  Toen zei God: "Laat er licht zijn." En toen was er licht.
4 Het beviel God en Hij maakte een duidelijke scheiding tussen het licht en het donker.
5 Het licht noemde Hij ‘dag’ en het donker ‘nacht’. Het werd avond en het werd weer morgen: de eerste dag.
6  Toen zei God: "Laat de watermassa uit elkaar gaan, zodat de wolkenhemel en de zeeën worden gevormd."
7 Zo maakte God de wolkenhemel, door de watermassa te verdelen tussen hemel en aarde.
8 Het werd avond en het werd weer morgen: de tweede dag.
9  Daarna zei God: "Laat het water onder de hemel samenstromen in zeeën en het droge land zichtbaar worden." En dat gebeurde.
10 God noemde het droge land ‘aarde’ en het samengestroomde water ‘zeeën’. God zag dat het goed was.

vertaling: Het boek

1  {Hemel en Aarde worden geschapen} In het begin schiep God de hemel en de aarde.
2 De aarde was onherbergzaam en verlaten. Een watervloed bedekte haar en er heerste diepe duisternis. De wind van God joeg over het water.
3  Toen zei God: ‘Er moet licht zijn!’ En er was licht.
4 God zag hoe mooi het licht was en hij scheidde het licht van de duisternis.
5 God noemde het licht dag en de duisternis nacht. Het werd avond en het werd ochtend, één dag was voorbij.
6  Toen zei God: ‘Er moet in het water een koepel zijn die de watermassa’s scheidt.’ Zo
7 gebeurde het ook: God maakte een koepel over de aarde en scheidde zo het water onder de koepel van het water erboven.
8 De koepel noemde God hemel. Het werd avond en het werd ochtend, de tweede dag was voorbij.
9  Toen zei God: ‘Al het water onder de hemel moet naar één plaats stromen, zodat een deel van de aarde droogvalt.’ En zo gebeurde het.
10 Het drooggevallen gebied noemde God land en het samengestroomde water zee. En God zag hoe mooi het was.

vertaling: Groot Nieuws

1  Toen God een aanvang maakte met de schepping van hemel en aarde—
2 de aarde was woest en vormeloos, duisternis heerste op den oceaan, en Gods geest dekte het water—
3  sprak God: Er zij licht! en er was licht.
4 En God zag dat het licht goed was. Nu maakte God scheiding tussen het licht en de duisternis
5 en noemde het licht dag en de duisternis nacht. Zo was het avond geweest en morgen geweest: de eerste dag.
6  God sprak: Er zij een uitspansel midden in het water, om water van water te scheiden!
7 Alzo geschiedde het. God maakte het uitspansel en scheidde het water onder het uitspansel van het water daarboven.
8 Toen noemde God het uitspansel hemel. En God zag dat het goed was. Zo was het avond geweest en morgen geweest: de tweede dag.
9  God sprak: Vloeie al het water dat onder den hemel is in een plaats samen, opdat het droge te voorschijn kome! Alzo geschiedde het.
10 Het droge noemde God land, en de samenvloeiing des waters zee. En God zag dat het goed was.

vertaling: Leidse vertaling

1  In den beginne schiep God den hemel en de aarde.
2 En de aarde was woest en ledig, en het was duister op de diepte, en de Geest Gods zweefde op het water.
3  En God sprak: Er worde licht. En er werd licht.
4 En God zag, dat het licht goed was.
5 Toen scheidde God het licht van de duisternis, en noemde het licht dag, en de duisternis nacht. Toen werd uit avond en morgen de eerste dag.
6  En God sprak: Er worde een uitspansel tussen de wateren, en er zij een scheiding tussen de wateren.
7 Toen maakte God het uitspansel, en scheidde het water onder het uitspansel van het water boven het uitspansel: en het geschiedde alzo.
8 En God noemde het uitspansel hemel. Toen werd uit avond en morgen de tweede dag.
9  En God sprak: Het water vergadere zich onder den hemel in bijzondere plaatsen, zodat men het droge zie: en het geschiedde alzo.
10 En God noemde het droge aarde, en de vergadering der wateren noemde Hij zee. En God zag, dat het goed was.

vertaling: Lutherse vertaling

1  {De schepping der wereld} In den beginne schiep God den hemel en de aarde.
2 De aarde nu was woest en vormeloos, en duisternis lag op den baaierd; en de geest Gods zweefde over de wateren.
3  Toen sprak God: Er zij licht. En er werd Licht.
4 En God zag dat het licht goed was. En God scheidde het licht van de duisternis,
5 en God noemde het licht dag en de duisternis noemde hij nacht. Toen werd het avond en het werd morgen: eerste dag.
6  Toen sprak God: Er zij een gewelf in het midden der wateren, en het zij tot een scheidsmuur tusschen de wateren. En het geschiedde alzoo,
7 En God maakte dat gewelf, en maakte daardoor scheiding tusschen het water dat onder, en het water dat boven het gewelf is.
8 En God noemde het gewelf hemel. Toen werd het avond en het werd morgen: tweede dag.
9  Toen sprak God: Het water onder den hemel verzamele zich op één plaats, zoodat het droge zichtbaar worde. En het geschiedde alzoo.
10 En God noemde het droge aarde, en de verzamelplaats der wateren noemde hij zee. En God zag dat het goed was.

vertaling: Obbink

1 In den beginne schiep God de hemel en de aarde.
2 De aarde nu was woest en ledig, en duisternis lag op de vloed, en de Geest Gods zweefde over de wateren.
3 En God zeide: Er zij licht; en er was licht.
4 En God zag, dat het licht goed was, en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis.
5 En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag.
6 En God zeide: Daar zij een uitspansel in het midden der wateren, en dit make scheiding tussen wateren en wateren.
7 En God maakte het uitspansel en Hij scheidde de wateren die onder het uitspansel waren, van de wateren die boven het uitspansel waren; en het was alzo.
8 En God noemde het uitspansel hemel. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de tweede dag.
9 En God zeide: Dat de wateren onder de hemel op een plaats samenvloeien en het droge te voorschijn kome; en het was alzo.
10 En God noemde het droge aarde, en de samengevloeide wateren noemde Hij zeeen. En God zag, dat het goed was.

vertaling: NBG

1  In den beginne schiep God den hemel en de aarde.
2 De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond; en de Geest Gods zweefde op de wateren.
3  En God zeide: Daar zij licht! en daar werd licht.
4 En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en tussen de duisternis.
5 En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag.
6  En God zeide: Daar zij een uitspansel in het midden der wateren; en dat make scheiding tussen wateren en wateren!
7 En God maakte dat uitspansel, en maakte scheiding tussen de wateren, die onder het uitspansel zijn, en tussen de wateren, die boven het uitspansel zijn. En het was alzo.
8 En God noemde het uitspansel hemel. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de tweede dag.
9  En God zeide: Dat de wateren van onder den hemel in een plaats vergaderd worden, en dat het droge gezien worde! En het was alzo.
10 En God noemde het droge aarde, en de vergadering der wateren noemde Hij zeeen; en God zag, dat het goed was.

vertaling: Statenvertaling

1  IN HET BEGIN schiep God de hemel en de aarde.
2 De aarde was woest en leeg; duisternis lag over de diepte, en de Geest van God zweefde over de wateren.
3  Toen sprak God: ‘Er moet licht zijn!’ En er was licht.
4 En God zag dat het licht goed was. God scheidde het licht van de duisternis;
5 het licht noemde God dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Het werd avond en het werd ochtend; dat was de eerste dag.
6  God sprak: ‘Er moet een uitspansel zijn tussen de wateren, een afscheiding tussen het ene water en het andere.’
7 En God maakte het uitspansel; Hij scheidde het water onder het uitspansel van het water erboven. Zo gebeurde het.
8 Het uitspansel noemde God hemel. Het werd avond en het werd ochtend; dat was de tweede dag.
9  God sprak: ‘Het water onder de hemel moet naar een plaats samenvloeien, zodat het droge zichtbaar wordt.’ Zo gebeurde het.
10 Het droge noemde God land, en het samengevloeide water noemde Hij zee. En God zag dat het goed was.

vertaling: Willibrordvertaling 1978

1  In het begin schiep God de hemel en de aarde.
2 De aarde was woest en leeg; duisternis lag over de diepte, en de geest van God zweefde over de wateren.
3  Toen zei God: ‘Er moet licht zijn!’ En er was licht.
4 En God zag dat het licht goed was. God scheidde het licht van de duisternis;
5 het licht noemde God dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Het werd avond en het werd ochtend; dat was de eerste dag.
6  En God zei: ‘Er moet een uitspansel zijn tussen de wateren, een afscheiding tussen het ene water en het andere.’
7 En God maakte het uitspansel; Hij scheidde het water onder het uitspansel van het water erboven. Zo gebeurde het.
8 Het uitspansel noemde God hemel. Het werd avond en het werd ochtend; dat was de tweede dag.
9  En God zei: ‘Het water onder de hemel moet naar één plaats samenvloeien, zodat het droge zichtbaar wordt.’ Zo gebeurde het.
10 Het droge noemde God land, en het samengevloeide water noemde Hij zee. En God zag dat het goed was.

vertaling: Willibrordvertaling 1995

1  In het begin schiep God hemel en aarde.
2 Maar de aarde was nog ongeordend en leeg, over de wereldzee heerste duisternis, en Gods Geest zweefde over de wateren.
3  God sprak: Daar zij licht. En er was licht.
4 En God zag, dat het licht goed was. Nu scheidde God het licht van de duisternis;
5 het licht noemde Hij dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Zo werd het avond en morgen: de eerste dag.
6  God sprak: Er zij een uitspansel tussen de wateren, om de wateren van elkander te scheiden. Zo geschiedde.
7 God maakte het uitspansel, en scheidde het water onder het uitspansel van het water daarboven;
8 het uitspansel noemde God hemel. Weer werd het avond en morgen: de tweede dag.
9  God sprak: Het water onder de hemel moet samenvloeien naar één plaats, zodat het droge te voorschijn komt. Zo geschiedde.
10 Het droge noemde God aarde, het saamgevloeide water noemde Hij zee. En God zag, dat het goed was.

vertaling: Petrus Canisius

1  In the beginning God created the heaven and the earth.
2 And the earth was without form, and void; and darkness was upon the face of the deep. And the Spirit of God moved upon the face of the waters.
3  And God said, Let there be light: and there was light.
4 And God saw the light, that it was good: and God divided the light from the darkness.
5 And God called the light Day, and the darkness he called Night. And the evening and the morning were the first day.
6  And God said, Let there be a firmament in the midst of the waters, and let it divide the waters from the waters.
7 And God made the firmament, and divided the waters which were under the firmament from the waters which were above the firmament: and it was so.
8 And God called the firmament Heaven. And the evening and the morning were the second day.
9  And God said, Let the waters under the heaven be gathered together unto one place, and let the dry land appear: and it was so.
10 And God called the dry land Earth; and the gathering together of the waters called he Seas: and God saw that it was good.

vertaling: Authorized Version 1769

1  Au commencement, Dieu créa les cieux et la terre.
2 La terre était informe et vide ; il y avait des ténèbres à la surface de l’abîme, et l’Esprit de Dieu se mouvait au–dessus des eaux.
3  Dieu dit : Que la lumière soit ! Et la lumière fut.
4 Dieu vit que la lumière était bonne ; et Dieu sépara la lumière d’avec les ténèbres.
5 Dieu appela la lumière jour, et il appela les ténèbres nuit. Ainsi, il y eut un soir, et il y eut un matin : ce fut le premier jour.
6  Dieu dit : Qu’il y ait une étendue entre les eaux, et qu’elle sépare les eaux d’avec les eaux.
7 Et Dieu fit l’étendue, et il sépara les eaux qui sont au–dessous de l’étendue d’avec les eaux qui sont au–dessus de l’étendue. Et cela fut ainsi.
8 Dieu appela l’étendue ciel. Ainsi, il y eut un soir, et il y eut un matin : ce fut le second jour.
9  Dieu dit : Que les eaux qui sont au–dessous du ciel se rassemblent en un seul lieu, et que le sec paraisse. Et cela fut ainsi.
10 Dieu appela le sec terre, et il appela l’amas des eaux mers. Dieu vit que cela était bon.

vertaling: Nouvelle Edition Geneve

1  Im Anfang schuf Gott den Himmel und die Erde.
2 Und die Erde war wüst und leer, und es lag Finsternis auf der Tiefe, und der Geist Gottes schwebte über den Wassern.
3  Und Gott sprach: Es werde Licht! Und es ward Licht.
4 Und Gott sah, daß das Licht gut war; da schied Gott das Licht von der Finsternis;
5 und Gott nannte das Licht Tag, und die Finsternis Nacht. Und es ward Abend, und es ward Morgen: der erste Tag.
6  Und Gott sprach: Es soll eine Feste entstehen inmitten der Wasser, die bilde eine Scheidewand zwischen den Gewässern!
7 Und Gott machte die Feste und schied das Wasser unter der Feste von dem Wasser über der Feste, daß es so ward.
8 Und Gott nannte die Feste Himmel. Und es ward Abend, und es ward Morgen: der zweite Tag.
9  Und Gott sprach: Es sammle sich das Wasser unter dem Himmel an einen Ort, daß man das Trockene sehe! Und es geschah also.
10 Und Gott nannte das Trockene Land; aber die Sammlung der Wasser nannte er Meer. Und Gott sah, daß es gut war.

vertaling: Schlacher Bibel

1  in principio creavit Deus caelum et terram
2 terra autem erat inanis et vacua et tenebrae super faciem abyssi et spiritus Dei ferebatur super aquas
3  dixitque Deus fiat lux et facta est lux
4 et vidit Deus lucem quod esset bona et divisit lucem ac tenebras
5 appellavitque lucem diem et tenebras noctem factumque est vespere et mane dies unus
6  dixit quoque Deus fiat firmamentum in medio aquarum et dividat aquas ab aquis
7 et fecit Deus firmamentum divisitque aquas quae erant sub firmamento ab his quae erant super firmamentum et factum est ita
8 vocavitque Deus firmamentum caelum et factum est vespere et mane dies secundus
9  dixit vero Deus congregentur aquae quae sub caelo sunt in locum unum et appareat arida factumque est ita
10 et vocavit Deus aridam terram congregationesque aquarum appellavit maria et vidit Deus quod esset bonum

vertaling: Vulgaat

1 en arch epoihsen o yeov ton ouranon kai thn ghn

2 h de gh hn aoratov kai akataskeuastov kai skotov epanw thv abussou kai pneuma yeou epefereto epanw tou udatov

3 kai eipen o yeov genhyhtw fwv kai egeneto fwv

4 kai eiden o yeov to fwv oti kalon kai diecwrisen o yeov ana meson tou fwtov kai ana meson tou skotouv

5 kai ekalesen o yeov to fwv hmeran kai to skotov ekalesen nukta kai egeneto espera kai egeneto prwi hmera mia

6 kai eipen o yeov genhyhtw sterewma en mesw tou udatov kai estw diacwrizon ana meson udatov kai udatov kai egeneto outwv

7 kai epoihsen o yeov to sterewma kai diecwrisen o yeov ana meson tou udatov o hn upokatw tou sterewmatov kai ana meson tou udatov tou epanw tou sterewmatov

8 kai ekalesen o yeov to sterewma ouranon kai eiden o yeov oti kalon kai egeneto espera kai egeneto prwi hmera deutera

9 kai eipen o yeov sunacyhtw to udwr to upokatw tou ouranou eiv sunagwghn mian kai ofyhtw h xhra kai egeneto outwv kai sunhcyh to udwr to upokatw tou ouranou eiv tav sunagwgav autwn kai wfyh h xhra  

10 kai ekalesen o yeov thn xhran ghn kai ta susthmata twn udatwn ekalesen yalassav kai eiden o yeov oti kalon

vertaling: LXX (Septuagint)

 

 
                           

  canandanann  04-03-06

 

18983_posterpreview.jpg (25912 bytes)